Diversiteit

Diversiteit

 

Natuurgebied De Maashorst is, mede door invloed van de mensen die er eeuwenlang woonden en werkten, een zeer gevarieerd gebied geworden. Je vindt er bossen, heide, stuifduinen, beekdalen en akkers. In het gebied wonen grote grazers, zoals wisenten, taurossen en exmoorpony's. Zij helpen mee aan het vergroten van de diversiteit van het gebied. Er lopen geen drukke wegen door het gebied. Je ontdekt De Maashorst per fiets of wandelend.

In het gebied zijn vele wandel- en fietspaden. Een wandeling, aangegeven met gele paaltjes, heet 'De vijf landschappen'. Deze tocht van ca. 6 km. is misschien wel het meest afwisselend en voert de wandelaar langs alle vijf verschillende landschaptypes, die in De Maashorst te vinden zijn.

De grote variatie in het landschap heeft geleid tot een grote variatie in flora en fauna:

Flora:
Uitgestrekte heidevelden (met vooral droge struikheide) zijn te vinden aan de kant van Nistelrode (de Kanonsberg en de Munse Heide), en de zuidkant richting Uden (Slabroekse Heide). Heide is een halfnatuurlijk landschap dat bij gebrek aan onderhoud overgaat in bos. Vooral jonge dennen en berken moeten geregeld worden verwijderd om ervoor te zorgen dat het heidelandschap open blijft. Ook de soms uitbundige groei van de grassoorten pijpenstrootje en bochtige smele, uitingen van luchtverontreiniging met meststoffen, bedreigen het uiterlijk van het fraaie heidelandschap.

De bossen van de Maashorst bevatten boomsoorten die typerend zijn voor de arme zandgronden. De inlandse zomer- en wintereiken  en berken komen hier veel voor, naast struiken als de lijsterbes, de Amerikaanse vogelpest, hazelaars en bramenstruiken. Beuken komen incidenteel voor: de grond is te droog en te arm voor deze boomsoort.

Naaldbomen zijn sinds het begin van de vorige eeuw veel aangeplant  als productiehout. Grove dennen (dennen met een oranjebruine stam) werden aangeplant voor de mijnbouw: bij instortingsgevaar kraakten de stutbalken van dit hout zodat de mijnwerkers de tijd hadden om weg te vluchten!  Ook de zwarte den (donkere stam) is op veel plaatsen aangeplant, evenals de zeeden met zijn grote kegels. Sparsoorten zoals de fijnspar en de douglasspar komen ook in de Maashorst voor.

Het gebied kent vele soorten mossen, grassen, struiken, varens, kruiden en bloemen.

Fauna:
Een heel belangrijke bewoner van de Maashorst is de das. Er zijn een  aantal burchten  met dassenfamilies. Daarnaast is het ree regelmatig te bewonderen. Algemeen voorkomende diersoorten zoals de vos, hazen en konijnen, martersoorten, eekhoorns, muizensoorten, de bunzing en de wezel  zijn ook bewoners van het gebied. In en bij de poelen komen kikkers, salamanders en padden voor, maar ook de meer zeldzame kamsalamander, grote modderkruiper en de levendbarende hagedis.

Centraal in de Maashorst ligt begrazingsgebied de Brobbelbies. Dit voormalige landbouwgebied is eind vorige eeuw afgegraven en wordt verder verschraald door begrazing met wisenten , taurossen en exmoorpony's. Voor vogels is dit extensief begraasde gebied heel aantrekkelijk. Hoog in de lucht draait de buizerd zijn rondjes, maar dichter bij de grond zijn de veldleeuwerik, de boomleeuwerik, de roodborsttapuit en de geelgors te bewonderen. De geelgors is een typisch Maashorstvogeltje.

De mens in Natuurgebied De Maashorst:
De oudste vondsten van menselijke beschaving die in en rond de Maashorst zijn gedaan dateren uit de Bronstijd (1800-600 voor Christus) en de daarop volgende IJzertijd (600-50 voor Christus) en Romeinse tijd (50 voor-250 na Christus). Uit de Bronstijd dateren voornamelijk oude grafheuvels bij Hooge Vorssel en Zevenbergen, in de noordwest hoek van de Maashorst. Uit de IJzertijd zijn naast grafheuvels (o.a. bij Slabroek, Zevenbergen) ook urnen met botten en potscherven (oostelijk van Nistelrode) gevonden, evenals restanten van bewoning. In de Romeinse tijd was er veel handel met de Romeinen langs de oevers van de Maas.

De eerste boeren in de Maashorst vestigden zich op de grens van natte en droge gedeelten, vooral in de beekdalen. Op de vochtige delen met natuurlijk grasland graasde het vee, waarvan de mest werd gebruikt op de droge akkergronden. Alleen door de aanwezigheid van het mestproducerende vee was er akkerbouw mogelijk op de arme gronden.

Na 1100 ontstonden de eerste dorpen of gehuchten. Het gehucht Slabroek, waar ook het Natuurcentrum is gelokaliseerd dateert van 1200-1400, evenals Loo bij Nistelrode. Nog ouder zijn de nederzettingen bij Menzel (oostelijk van Nistelrode, van ongeveer het jaar 700) en Hengstheuvel (bij Uden, ook van 700).

Pas vanaf 1900, na de uitvinding van de kunstmest, vonden grootschaliger ontginningen in het gebied plaats en ontstond, vooral na de tweede wereldoorlog, een steeds intensievere bedrijfsvoering in de landbouw.

De urn in de tentoonstelling uit ca. 800 - 500 jaar voor Christus is een kartel-rand-urn. Hij is opgegraven in 1923 op het 'Urnenveld Slabroek'. In 1922 kocht dokter Wiegersma uit Deurne een stuk grond in de buurt van Slabroek waar veel grafheuvels aangetroffen waren. Hij wilde zo de graven beschermen tegen plunderaars en er kon wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden. In samenwerking met het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden werd tot opgraving overgegaan. Op het terrein werden 38 grafheuvels gevonden, varierend in doorsnede van 4 tot wel 35 meter. In de meeste heuvels stonden urnen met crematieresten van de doden. Na een crematie werd de urn op het grafveld in een ondiepe kuil geplaatst en daarna verborgen onder een grotere of kleinere heuvel.

Naast urnen werden ook andere grafgiften gevonden, zoals potjes, bekers, schalen en enkele fibulae (een mantelspeld). De grafvondsten worden nog steeds bewaard in de depots van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden en in het Brabants Museum in 's-Hertogenbosch.

De wandeling 'Hoog en laag Slabroek' , gemarkeerd met blauwe paaltjes, gaat langs het 'Urnenveld Slabroek'.
De Maashorst word omringd door diverse dorpen en steden. Iedere plaats heeft zijn eigen verhaal. Een voorbeeld daarvan is de rover Jacobus van der Schlossen. 

Vanaf  het jaar 1100 werd Noord Brabant door steeds grotere aantallen mensen bevolkt. Van een nomadeachtig bestaan kwam er een ontwikkeling naar dichter bevolkte dorpen en gehuchten. Vanuit de behoefte aan voedsel voor de groeiende bevolking ontstonden de eerste landbouwsystemen. De boeren begonnen met het ontginnen van de dichte bossen door delen te verbranden en op de braakliggende grond akkers aan te leggen. Het in de bossen rondstruinende vee van de boeren vrat het blad en jonge struiken op, waardoor open plekken ontstonden. Op deze plaatsen kreeg heide de kans om zich te ontwikkelen, waar de boeren de schapen lieten grazen. Van tijd tot tijd werden de met schapenmest verrijkte heideplaggen verzameld om de akkers te bemesten (het zogenaamde potstalsysteem). Het afplaggen van de heide leidde vervolgens tot het verstuiven van het vrijkomende zand. Om de akkers te beschermen tegen het  stuifzand  plantten de bewoners van de Maashorst eikenhoutwallen aan langs de randen van hun akkers. De stuifduinen die nu nog in de Maashorst zijn te bewonderen zijn de restanten van de opgestoven houtwallen en kunnen honderden jaren oud zijn.

De stuifduinen zijn niet alleen goed waarneembaar in de Maashorst, maar ook in de nabij de Maashorst gelegen natuurgebieden de Bedafse Bergen en Herperduin De stuifduinen van de Bedafse Bergen zijn hoger dan de stuifzandwallen in de Maashorst: zij vormen de hoogste 'bergen' van de provincie Noord-Brabant met een maximale hoogte van ongeveer 20 meter. Het hele jaar door wordt hier druk gerecreeerd.

In de loop van de 19e eeuw werd de combinatie van akkerbouw met schapenteelt op de arme zandgronden steeds minder toegepast. Als alternatief werd begonnen met het aanplanten van productiebossen. In het begin van de vorige eeuw zijn in de Maashorst grote percelen met naaldhout ingeplant. Toen dit in de jaren 60 economisch niet meer aantrekkelijk bleek en de bevolking meer tijd, geld en gelegenheid kreeg om te gaan recreeren, kwam langzaam de ontwikkeling naar een natuurgebied op gang.

« Terug